Meer Nieuws

Nieuwsbrief van 29 juni 2015

Facebooktwitterlinkedinmail

Behandelde onderwerpen in deze nieuwsbrief:

 

Vakantiewerk

Veel jongeren doen in de zomer vakantiewerk om een extra zakcentje te verdienen. Voor werkgevers kan zo’n tijdelijke kracht in de vakantieperiode heel goed uitkomen. Er zijn wel regels waar u als werkgever rekening mee moet houden. Een scholier van bijvoorbeeld 14 jaar, mag niet hetzelfde werk doen als een volwassen werknemer. Ook mag hij niet te lang achter elkaar werken en er moet voldoende rust tussen de werkdagen zitten. Hoe ouder een scholier of student wordt, hoe meer zijn toegestane arbeidssituatie op die van volwassen werknemers gaat lijken. Houdt de werkgever zich niet aan de wettelijke regels met betrekking tot arbeidsuren en arbeidsomstandigheden voor jeugdige werknemers, dan riskeert hij een boete. Vakantiewerk en salaris Voor vakantiekrachten vanaf 15 jaar geldt het wettelijk minimumjeugdloon waar een werkgever zich aan moet houden (zie onze nieuwsbrief dd 19 mei 2015). Voor 13- of 14-jarigen die in dienst worden genomen, is geen minimumjeugdloon vastgesteld. Ook hebben hun bijverdiensten (nog) geen invloed op de kinderbijslag die hun ouders ontvangen. Dat geldt ook voor werkende scholieren van 15 jaar.  Vanaf 16 jaar geldt er wel een bijverdienmaximum van € 1.240 per kwartaal met betrekking tot de kinderbijslag. Verdient een 16-jarige scholier meer per kwartaal, dan kan dit gevolgen hebben voor de kinderbijslag. Die kan zelfs volledig worden stopgezet. Voor meer informatie hierover verwijzen we naar: http://www.svb.nl/int/nl/kinderbijslag/levensloop/hoeveel_bijverdienen/

 

Subsidieregeling praktijkleren

Met de Subsidieregeling Praktijkleren stimuleert de overheid werkgevers om leer-werkplaatsen aan te bieden. Een leer-werkplaats is een tijdelijke periode waarin een bedrijf of organisatie praktijkonderricht verzorgt voor een leerling, student of deelnemer. De subsidie is bedoeld om de kosten van de begeleiding in de praktijk voor werkgevers te verlagen. Deze regeling vervangt de Afdrachtsvermindering Onderwijs.

Voor de onderstaande groepen komen werkgevers, die een leer-werkplaats aanbieden, in aanmerking voor de Subsidieregeling:


BTW-aftrek zakelijke kosten

Met de komst van de verplichte WKR (Werkkostenregeling) per 1 januari jl. worden een aantal kosten steeds beoordeeld voor de loonbelasting. De vraag hierbij is telkens of bepaalde kosten al dan niet zakelijk zijn en of er loonbelasting over ingehouden moet worden. Zo zijn kosten voor consumpties voor personeel tijdens werktijd vrijgesteld volgens de WKR. Voor de omzetbelasting gelden voor dergelijke consumpties echter andere regels.

Of consumpties wel of geen zakelijk karakter hebben, is voor de omzetbelasting niet relevant. Belangrijk is of de BTW onder de BUA (Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting) valt. Dit betekent dat de BTW op consumpties (ook bij relatiegeschenken, representatiekosten, personeelsfeesten) in principe aftrekbaar is, zolang de kosten niet hoger zijn dan € 227 (excl. BTW) per jaar per persoon.

 

Einde fiscaal voordeel personeelslening

Sinds 2010 worden jaarlijks tussentijdse fiscale wetsvoorstellen gepubliceerd, middels de zgn. Fiscale Verzamelwet. In het wetsvoorstel van de Fiscale Verzamelwet 2015 staat dat per 1 januari 2016 werkgevers geen onbelaste personeelsleningen meer kunnen verstrekken aan hun personeel. Dit geldt niet alleen voor de ‘gewone’ werknemers, maar ook voor de DGA’s (directeur groot-aandeelhouder).

Momenteel mogen renteloze leningen aan personeel worden verstrekt, voor de aankoop of verbetering van de eigen woning, zonder dat het rentevoordeel bij het loon moet worden geteld. Voor de WKR valt de personeelslening onder de nihilwaardering.

Volgens het voorstel wordt met ingang van 1 januari 2016 het rentevoordeel belast in de loonbelasting.

Het wetsvoorstel ligt momenteel bij de Tweede Kamer ter behandeling. Alleen het rentevoordeel op personeelsleningen voor de aanschaf van een fiets, elektrische fiets of elektrische scooter blijft onbelast en valt wel onder de nihilwaardering.

 

Belastingtelefoon veiliger

Met ingang van 1 juni 2015 zal de BelastingTelefoon ondernemers die persoons- of bedrijfsgegevens opvragen, naar hun laatste drie cijfers van hun gebruikersnaam voor het beveiligde gedeelte van de internetsite vragen. Op deze manier werkt de Belastingdienst aan het veiliger uitwisselen van persoonlijke gegevens.

Bent u uw gebruikersnaam kwijt of vergeten, dan kan deze opnieuw via het inlogscherm worden aangevraagd. Binnen 24 uur ontvangt u via uw e-mailadres uw nieuwe gebruikersnaam.

 

Herinvesteringsreserve

De boekwinst bij verkoop van een bedrijfsmiddel, is het verschil tussen de verkoopopbrengst en de (fiscale) boekwaarde. Deze boekwinst komt ten gunste van het resultaat in het boekjaar. In de inkomstenbelasting wordt hierover het progressieve tarief berekend, welke kan oplopen tot 52%. In de vennootschapsbelasting is dat maximaal 25%.

Indien u de boekwinst binnen drie kalenderjaren wilt gebruiken voor herinvesteringen, kan de boekwinst gereserveerd worden als Herinvesteringsreserve (HIR). Dit is een fiscale reserve die geen afstel maar uitstel van belastingbetaling oplevert. Bij latere aanschaf van een bedrijfsmiddel, zal de HIR in mindering worden gebracht op het aankoopbedrag en is tevens van invloed op de afschrijvingen van het nieuwe bedrijfsmiddel, waardoor de fiscale afschrijvingen lager zijn en dus een hoger resultaat ten gevolge heeft.

Voor het vormen van een HIR gelden de volgende voorwaarden:

  1. Er is een voornemen tot herinvesteren.
  2. De herinvestering vindt binnen drie jaar plaats. Wanneer dit niet lukt, valt de HIR na drie jaar alsnog ten gunste van het resultaat.
  3. De boekwaarde van het nieuwe bedrijfsmiddel, mag na afboeking van de HIR niet onder de boekwaarde van het verkochte bedrijfsmiddel uitkomen (boekwaarde-eis).
  4. De afboeking van de HIR is soms alleen mogelijk als het nieuwe bedrijfsmiddel eenzelfde economische functie binnen het bedrijf heeft (economische-functie-eis). Hierbij wordt onderscheid gemaakt in bedrijfsmiddelen met geen of meer dan 10 jaar afschrijving (A) en bedrijfsmiddelen waarop in 10 jaar of minder wordt afgeschreven (B). Bij bedrijfsmiddelen A kan de HIR alleen gebruikt worden bij investeringen met eenzelfde economische functie (bijv. onroerend goed in eigen gebruik). Deze voorwaarde geldt niet bij bedrijfsmiddelen B.

 

Factuurvereisten voor de BTW

Iedere ondernemer voor de BTW is verplicht een administratie bij te houden en te bewaren (minstens 7 jaar). Tot deze administratie behoren de ontvangen facturen en kopieën van de verkoopfacturen. In de wet is geregeld wanneer u aan de factureringsplicht moet voldoen, nl:

Het moment van uitreiken is uiterlijk 15 dagen na het einde van de maand waarin de goederen zijn geleverd of de diensten zijn verricht.

Vermeld op de uitgereikte facturen in bovenstaande situaties minstens de onderstaande gegevens:

Wanneer u zaken doet met ondernemers uit andere EU-landen, heeft u te maken met intracommunautaire leveringen en verrichtingen. Vermeld bij facturering tevens het BTW-identificatienummer van de afnemer.

Bij een levering tegen 0%-tarief, dient de vermelding “Tabel II, onderdeel a, post 6, Wet OB 198,” of “Artikel 138, lid I, Richtlijn 2006/112” vermeld te worden. Wanneer de BTW wordt verlegd, moet de zinsnede “BTW verlegd” opgenomen worden.

Wanneer niet aan bovengenoemde factuurvereisten wordt voldaan, kan dat gevolgen hebben voor de aftrek van de BTW of kan er een boete opgelegd worden.

 

Nieuw: www.acgr.nl !

Wanneer u afgelopen weken naar onze site heeft gesurft, heeft u vast gezien dat onze website een metamorfose heeft ondergaan. Sinds een aantal weken is onze website in een compleet moderner jasje gestoken, is toegankelijker en overzichtelijker geworden. Ook de meest recente nieuwsbrief wordt hier direct aan toegevoegd.

De login-link is nog buiten gebruik, maar hieraan wordt momenteel gewerkt. En zo gaan wij door met ‘Door denken meer doen’!


terug