Meer Nieuws

Nieuwsbrief van 8 februari 2018

Facebooktwittergoogle_pluslinkedinmail

Behandelde onderwerpen in deze nieuwsbrief:

 

AOW-leeftijd in 2023 niet omhoog

Sinds 2013 gaat de leeftijd waarop mensen recht krijgen op uitkering wegens AOW, stapsgewijs omhoog. Vanaf 2022 wordt de AOW-leeftijd gekoppeld aan de levensverwachting. Volgens het CBS stijgt de levensverwachting minder snel als eerder gedacht. Daarom zal in 2023 de AOW-leeftijd gelijk zijn aan die in 2022, namelijk 67 jaar en drie maanden.

 

WOZ-beschikking 2018

Binnenkort vallen de door gemeente verzonden WOZ-beschikkingen van eigenaren van onroerend goed weer in de bus. Niet alle gemeenten houden voldoende rekening met de invloed van de economische crisis van afgelopen jaren en andere regionaal waardedrukkende factoren. De door de gemeente bepaalde WOZ-waarde wordt niet alleen gebruikt als grondslag bij de gemeentelijke heffingen, maar ook bij:

Het is daarom van belang om de juiste WOZ-waarde te hanteren. Controleer de WOZ-beschikking goed, en maak indien nodig hiertegen bezwaar. Dit kan binnen 6 weken ná dagtekening van de gemeentelijke aanslag.

 

Minimumloon versus overige wijzigingen per 1 januari 2018

Zoals wij reeds hebben gepubliceerd is het minimumloon per 1 januari 2018 weer gestegen; deze keer met 0,81% ten opzichte van 1 juli 2017. Voor de tabellen verwijzen wij u naar onze nieuwsbrief van 2 november 2017 (zie www.acgr.nl ).
Dit minimumloon geldt vanaf 1 januari 2018 ook in geval van stukloon, meerwerk en overeenkomst van beloning.

 

Per 1 januari 2018 wijzigt art.6 in de Wet Minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml). Deze wijziging houdt in dat niet alleen het minimumloon geldt voor overwerk, maar dat ook vakantietoeslag over het overwerkloon berekend moet worden. Dit geldt ook voor opgebouwde vakantietoeslagrechten vóór 1 januari 2018, tenzij de overuren vóór genoemde datum zijn uitbetaald of opgenomen.

 

Lage-inkomensvoordeel (LIV) voor jeugd

Ter compensatie van de flinke verhoging van het minimumloon voor werknemers van 18 tot en met 21 jaar in 2017, bestaat met ingang van 1 januari 2018 het zogenoemde jeugd-LIV. Deze Lage-inkomensvoordeel voor jeugd is een tegemoetkoming per uur per werknemer die op 31 december van het voorgaande jaar een bepaalde leeftijd had, voor werkgevers. Voorwaarden voor toepassing van de jeugd-LIV is:

Voor ontvangst van de jeugd-LIV dient slechts de verloonde uren van de betreffende jeugd-werknemers goed in de loonaangifte te worden opgenomen. Het UWV en de Belastingdienst zorgen voor berekening en uitbetaling.

 

Voor werknemers van 22 jaar en ouder bestond al een LIV. De voorwaarden hiervoor zijn:

 

Loonkostenvoordeel (LKV)

Per ingang van 1 januari 2018 zijn de premiekortingen in de loonbelasting voor jongeren, ouderen en arbeidsgehandicapte (herplaatste) werknemers verdwenen. Voor de jongeren is de jeugd-LIV ervoor in de plaats gekomen (zie hierboven). Voor oudere werknemers en werknemers met een arbeidshandicap komt per genoemde datum de zgn. Loonkostenvoordeel (LKV) in de plaats.

De LKV is een vast bedrag per werknemer per uur, voor maximaal 3 jaar achter elkaar en bedraagt
€ 3,05 per uur, met een maximum van € 6.000 per jaar. Voor werknemers uit de doelgroep ‘banenafspraak’ bedraagt de LKV € 1,01 per uur (max. € 2.000 per jaar) per werknemer.

Een werkgever heeft geen recht op LKV voor werknemers die werk verrichten in het kader van WSW of Participatiewet.

 

Oudere of arbeidsgehandicapte werknemers die al vóór 1 januari 2018 in dienst waren en waarvoor premiekorting werd ontvangen, worden automatisch omgezet naar de LKV.

Voor aanvraag van ‘nieuwe’ oudere of arbeidsgehandicapte werknemers, dient een zgn. ‘Doelgroepsverklaring van de werknemer’ opgevraagd te worden bij de gemeente van de werknemer én zal de LKV-indicatie geactiveerd moeten worden in de loonaangifte.

Het LKV over 2018 wordt in 2019 uitgekeerd.


Nieuwe privacywet vervangt Wbp

Met ingang van 25 mei 2018 vervangt de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) de huidige Wet Bescherming Personeelsgegevens (Wbp). Het AVG is bedoeld ter harmonisering van de privacyregelgeving binnen de Europese Unie en een betere bescherming van de persoonsgegevens. De AVG richt zich meer op de verwerking van de persoonsgegevens  en scherpt de regels verder aan ten opzichte van de Wbp.

Met de invoering van AGV zijn de privacy-rechten van personen (bijv. leveranciers en  werknemers) verbeterd en krijgen organisaties die persoonsgegevens verwerken (dus ook als werkgevers) meer verantwoordelijkheden.

Per 25 mei 2018 treedt de AGV direct in werking. Daarom is het goed om als organisatie hier tijdig op voor te bereiden, door:

De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) houdt toezicht op en handhaaft de naleving van de huidige Wbp en straks AVG. De AP kan boetes opleggen, wanneer zij kan aantonen dat een organisatie opzettelijk of ernstig verwijtbaar nalatig heeft gehandeld.

 

Gebruikelijk loon DGA 2018

Voor een aanmerkelijk-belanghouder, die in loondienst is bij zijn eigen BV, geldt een gebruikelijk loon. Het gebruikelijk loon blijft in 2018 € 45.000 op jaarbasis, evenals in 2017. Dit bedrag is een minimumloon voor DGA’s, tenzij hij/zij aannemelijk kan maken dat bij een meest vergelijkbare dienstbetrekking van een werknemer, die geen DGA is, een lager loon gebruikelijk is.

Deze ‘gebruikelijk-loonregeling’ is soepeler voor DGA’ers van start-ups. Gezien het innovatieve karakter van veel start-ups, mag een DGA maximaal drie jaar het wettelijk minimumloon hanteren.

 

Investeringsaftrek 2018

Ondernemers die investeren in bedrijfsmiddelen, kunnen (onder voorwaarden) profiteren van drie soorten investeringsaftrek. Elk jaar wijzigen de tarieven van deze aftrekmogelijkheden.

Zowel voor ondernemers voor de Inkomstenbelasting als de Vennootschapsbelasting is de investeringsaftrek onderverdeeld in drie aftrekmogelijkheden:

 

1.Kleinschaligheidsaftrek
Wanneer de ondernemer investeert in bedrijfsmiddelen met een totaal tussen € 2.301 en
€ 314.673, kan er een percentage van het investeringstotaal afgetrokken worden op de winst. Tussen
€ 2.301 en € 56.642 bedraagt de aftrek 28%, tussen € 56.643 en € 104.891 is de aftrek een vast bedrag van € 15.863 en bij een investeringstotaal tussen € 104.892 en € 314.673 bedraagt de aftrek € 15.863 minus 7,56% van het deel bóven de € 104.892.
Bij een totaal aan investeringen boven € 314.673 is er geen mogelijkheid tot Kleinschaligheidsaftrek.

 

2.Energie-investeringsaftrek

Investeringen die in aanmerking komen voor de Energie-investeringsaftrek (EIA), staan vermeld in de Energielijst 2018 die onlangs is gepubliceerd: https://www.rvo.nl/subsidies-regelingen/milieulijst-en-energielijst/huidig-jaar/2018 .
Bij toekenning van de EIA kan 54,5% van het investeringsbedrag (met een minimum van
€ 2.500) in mindering gebracht worden op de (belastbare) winst. Naast de bedrijfsmiddelen die in de lijst staan, kan ook EIA toegepast worden op de kosten van een energieadvies of bedrijfsmiddelen die niet op de lijst staan, maar die wel energie of fossiele brandstoffen besparen en de algemene besparingsnorm halen.

 

3.Milieu-investeringsaftrek en VAMIL

Investeringen die in aanmerking komen voor de Milieu-investeringsaftrek (MIA) en/of VAMIL, staan vermeld in de Milieulijst 2018 die onlangs is gepubliceerd: https://www.rvo.nl/subsidies-regelingen/milieulijst-en-energielijst/huidig-jaar/2018 .

De bedrijfsmiddelen in de Milieulijst zijn gecategoriseerd. Afhankelijk van de categorie (A t/m G) is er een extra aftrek tussen 13,5% en 36% mogelijk ten laste van de winst, mits er voor meer dan € 2.500 is geïnvesteerd in middelen die op de Milieulijst 2018 staan.
Daarnaast zijn er bedrijfsmiddelen aangewezen waarvoor voor 75% van het investeringsbedrag ‘vrij’ mag worden afgeschreven (versneld of vertraagd); de zgn. VAMIL. Op de overige 25% van het investeringsbedrag wordt regulier afgeschreven.

 

=>  Voor toepassing van de EIA, MIA en VAMIL dient een melding gemaakt te worden bij www.rvo.nl  binnen drie maanden na het aangaan van de verplichting tot aankoop van het bedrijfsmiddel, welke niet eerder gebruikt is; dus geen tweedehands bedrijfsmiddel.
Het aangaan van de verplichting is bijvoorbeeld het moment van opdrachtbevestiging of ondertekening van een koopovereenkomst. RVO.nl verstrekt vervolgens schriftelijk de toekenning.

 


terug