Meer Nieuws

Nieuwsbrief van 3 juni 2010

Facebooktwitterlinkedinmail

Behandelde onderwerpen in deze nieuwsbrief:

 

* Minimumloon per 1 juli 2010

Per 1 juli 2010 gaat het wettelijk minimumloon en het minimumjeugdloon weer omhoog. De lonen stijgen met 0,6%.

Voor werknemers van 23 jaar en ouder bedraagt het bruto minimumloon bij een volledig dienstverband per 1 juli 2010:

€ 1.416,00     per maand;

€    326,75     per week;

€      65,35     per dag.

* Vakantiekrachten

Wanneer uw (vaste) werknemers in de zomermaanden op vakantie zijn en u dit tekort aan personeel wilt opvangen met vakantiekrachten, vindt u hieronder een aantal zaken waarop u moet letten bij de aanname van (jeugdige) vakantiekrachten:

  1. Loon. Aan vakantiekrachten vanaf 15 jaar is het verplicht het minimumjeugdloon uit te betalen. De hoogte hiervan is gewijzigd per 1 juli 2010 (zie hierboven). Voor werknemers van 13 en 14 jaar gelden geen minimumtarieven, maar doorgaans wordt ter motivatie voor hen eenzelfde tarief als voor 15-jarigen gehanteerd. Ouders of voogd van werknemers tot en met 15 jaar dienen eveneens hun handtekening onder het arbeidscontract te zetten.
  2. Arbeidsvoorwaarden. Volgens de wet wordt geen onderscheid gemaakt in werknemers met verschillend type contract, duur van het contract of de leeftijd van de werknemers. Dit betekent dat ook de vakantiekrachten recht hebben op 8% vakantiegeld en opbouw van minimaal 20 vakantiedagen (bij fulltime dienstverband). In de praktijk worden de opgebouwde vakantiedagen uitgekeerd bij het einde van het dienstverband.
  3. Gelijke behandeling. Een uitzondering op de gelijke behandeling is bijvoor-beeld pensioenopbouw. Gezien de tijdelijke en kortdurende aard van de arbeidsduur is het goed te rechtvaardigen om pensioenopbouw achterwege te laten.
  4. Arbeidstijden. Voor vakantiekrachten vanaf 18 jaar geldt de Arbeidstijdenwet voor volwassenen. Voor vakantiekrachten jonger dan 18 jaar gelden specifieke regels, zoals maximaal aantal uren dat zij achtereen mogen werken en minimale rusttijden. Zo mogen ook 13 en 14-jarige niet ingezet worden op zondag en de 15, 16 en 17-jarigen alleen als zij de zaterdag ervoor vrij waren.
  5. Arbeidsomstandigheden. Het is belangrijk de risico’s op de werkvloer te inventariseren en de vakantiekrachten hierover te informeren. Jeugdige werknemers mogen niet alle werkzaamheden uitvoeren, zoals bijv. werken met bestrijdingsmiddelen, gevaarlijke stoffen, in een omgeving met meer dan 85 decibel en bedienen van bepaalde machines en zware apparaten.

* Heffingsrente fiscus

Het tarief voor de heffingsrente en invorderingsrente voor het derde kwartaal 2010 blijft gelijk aan dat van het tweede kwartaal 2010, namelijk 2,5%. Het percentage voor het eerste kwartaal 2010 bedroeg eveneens 2,5%.

* Stemwijzer voor ondernemers

Op 9 juni as. vinden de Tweede Kamerverkiezingen plaats. Bent u er al uit op welke partij u gaat stemmen? Welke partij heeft het beste met u voor als MKB-ondernemer? Op initiatief van MKB Nederland is een ondernemersstemwijzer uitgebracht met als resultante een stemadvies.

U vindt de stemwijzer op: www.ondernemersstem.nl .

* Verruiming regeling Tijdelijk Willekeurige Afschrijvingen

De regeling Tijdelijke Willekeurige Afschrijving (TWA) werd begin 2009 ingevoerd, als maatregel om de ondernemers door de crisis heen te helpen. De regeling houdt in dat op investeringen gegaan (en betaald) in 2009 en/of 2010 maximaal 50% afgeschreven kan worden (zien onze Nieuwsbrief van 16 december 2008).

De verruiming van de regeling houdt in:

– Als in het investeringsjaar 50% is afgeschreven, kan het restant in één of volgende jaren worden afgeschreven;

– Het restant willekeurig (meestal meer) af te schrijven bedrag kan ook in 2011 plaatsvinden. Bijvoorbeeld als investeringsverplichtingen in 2009 zijn aangegaan, in 2010 een deel is betaald en ingebruikname pas in 2011 plaatsvindt. In 2009 vindt geen afschrijving plaats, in 2010 kan maximaal 50% (of zover er is betaald) worden afgeschreven evenals in 2011.

De eis dat de TWA-investering vóór 1 januari 2012 resp. vóór 1 januari 2013 in gebruik is genomen blijft gehandhaafd.

De nieuwe TWA-regeling werkt terug tot en met 1 januari 2009 en vervalt per 1 januari 2011.

* Veel bestelauto’s aan de tachograaf

Bestelauto’s met een minimum treingewicht (GVW plus maximale massa van de aanhanger) van 3,5 ton, zijn sinds medio 2009 verplicht een tachograaf te gebruiken en de overheid gaat dit vanaf mei 2010 ook controleren.

Dit betekent dat in de praktijk de meeste bestelauto’s en 4WD’s op grijs kenteken een tachograaf moeten inbouwen. Ook BE-opleggercombinaties en de zgn. kortgekoppelde BE-opleggercombinaties worden hiertoe verplicht.

Bestelauto’s die vóór 1 mei 2006 in gebruik zijn genomen, mogen een analoge tachograaf installeren, voor de nieuwere auto’s is een digitale tachograaf verplicht. Deze laatste is niet geliefd, daar het een hoop administratieve rompslomp met zich meebrengt, zoals het aanvragen van een bedrijfskaart en chauffeurskaarten.

Er vond tot op heden weinig controle plaats, wegens het ontbreken van passende controle-apparatuur. Veel bestelauto’s beschikken nl. niet over een goedgekeurde pulsgever voor de tachograaf.

Een uitzondering op de verplichting van een digitale tachograaf, vormen de bestelauto’s die (aantoonbaar door bestuurder) minder dan 12 uur per week wordt gebruikt.

* Kwartaalaangifte BTW verlengd

Met ingang van 1 januari 2009 werd de grens voor kwartaalaangifte voor de BTW verhoogd van € 7.000 naar € 15.000. Men kon het verzoek tot kwartaalaangifte i.p.v. maandaangifte indienen bij de Belastingdienst. Veel ondernemers hebben in het kader van stimulering van de financiële armslag en vermindering van administratieve lasten, hiervan gebruik gemaakt.

Gezien het succes van deze crisismaatregel, heeft de ministerraad besloten de maatregel te verlengen tot en met 2011.

* FrieslandCampina

Op 17 juni 2010 vindt een handelsdag voor ledenobligaties plaats voor FrieslandCampina. Uiterlijk 15 juni as. kunnen ledenobligaties vrij worden aangeboden voor deze handelsdag. Hierover kan contact worden opgenomen met de binnendienst van FrieslandCampina.

Nader belicht: Lijfrentepremies en –uitkeringen

In de inkomstenbelasting kunnen lijfrentepremies worden afgetrokken van het belastbaar inkomen. Vanaf 1999 is de aftrekmogelijkheid van lijfrentepremies sterk beperkt (Brede Herwaardering). In principe is de periodieke uitkering uit lijfrente slechts belast, voor zover in het verleden de premie hiervoor aftrekbaar was. Na invoering van de Brede Herwaardering komen we daarom steeds vaker het zgn. splitsingsproblematiek (deels aftrekbare en deels niet-aftrekbare premie) tegen. Op deze problematiek en de Saldomethode gaan we hieronder nader in.

Lijfrenteverzekeringen welke werden afgesloten in de periode 1992-2001 (Brede Herwaardering) waren of een ‘fiscaal gefacilieerde lijfrente’ of een ‘zuivere saldolijfrente’.

De ZUIVERE SALDOLIJFRENTE was in de jaren negentig populair en kenmerkte zich door een opgenomen clausule, waardoor de premie (vaak een gestorte koopsom) niet in aftrek kon worden gebracht. De uitkering werd pas belast voor zover en wanneer het de inleg overtrof; in feite dus het rentebestanddeel.

Verzekeringnemer met een saldolijfrente welke is afgesloten vóór 14 september 1999, kreeg in 2001 (Wet op de Inkomstenbelasting 2001) de volgende keuze:

1.      Per 1 januari 2001 afrekenen over het op dat moment aanwezig rentebestanddeel en vervolgens de waarde van de lijfrente in Box 3 plaatsen (belast);

2.      Voortzetting in Box 1, waarbij het rentebestanddeel belast is bij toekomstige uitkering (periodiek of eenmalig). De verzekeraar vraagt niet om een ‘saldo-verklaring’ en houdt bij uitkering automatisch loonbelasting in vanaf het moment dat de uitkering(en) de inleg overtreft.

De zuivere saldolijfrente kan tot en met 31 december 2020 in Box 1 blijven, daarna vervalt het overgangsrecht. De verzekeringnemer dient dan af te rekenen in Box 1 over het op dat moment aanwezig rentebestanddeel, waarna de lijfrente jaarlijks in Box 3 belast wordt.

Als er nà 13 september 1999 nog premies zijn betaald op deze verzekering, worden de premies tot een bedrag van € 2.269 per kalenderjaar toegevoegd aan het saldo. Als de jaarlijkse inleg hoger is dan € 2.269, dan wordt het overschot aangemerkt als Box 3 vermogen. Er is hier dus sprake van boxsplitsing, waardoor de verzekeraars bij uitkering geen rekening houden met loonbelasting.

Saldolijfrente-verzekeringen afgesloten tussen 14 september 1999 en 1 januari 2001 worden verplicht afgerekend over het rentebestanddeel per 1 januari 2001 en vervolgens als Box 3-vermogen aangemerkt.

Vanaf 2001 werden geen nieuwe saldolijfrente-verzekeringen meer afgesloten.

Bij de FISCAAL GEFACILIEERDE LIJFRENTE komt de premie, door opname van een bepaalde clausule in het contract, in principe voor aftrek in aanmerking. De uitkering uit deze lijfrenten zijn daarmee in principe belast in Box 1.

Een verzekeringnemer die, tot 2001, door persoonlijke aftrekbeperkingen niet alle premie in aftrek kon brengen, mocht dit overschotbedrag als ‘saldo’ in mindering brengen op de belaste lijfrente-uitkering. De uitkering is pas belast, wanneer het totaal van de uitkeringen het totaal van betaalde en niet afgetrokken premies (= opgeofferd bedrag) heeft overschreden (zgn. Saldomethode). Wanneer een verzekeringnemer wel genoeg aftrekruimte had, maar deze door verzuim niet had gebruikt, wordt de lijfrente bij uitkering toch volledig belast.

Bij de invoering van de Wet Inkomstenbelasting 2001 kwam de fiscaal gefacilieerde Brede Herwaardering lijfrente in Box 1 terecht. Voor premies betaald vóór 2001 bleef en blijft de Saldomethode van kracht (zie hierboven).

Voor premies betaald nà 1 januari 2001, voor bestaande lijfrentecontracten, zijn meerdere opties mogelijk:

1.      Er is in het contract geen verwijzing opgenomen naar de Wet IB 2001. In dat geval is er formeel geen mogelijkheid tot premieaftrek vanaf 2001. In een Besluit is echter bepaald dat mits er voldoende jaar- of reserveringsruimte is, de premie toch in aftrek kan worden gebracht. Het deel van de premie welke niet afgetrokken kan worden valt onder de Saldomethode. Dit geldt voor premies tot en met 2008, ongeacht de hoogte. Vanaf 2009 valt slechts een niet-aftrekbaar bedrag van maximaal € 2.269 onder de Saldomethode. Dit bedrag geldt per contract.

2.      Splitsing van lijfrenteaanspraak. Er wordt een splitsing gemaakt in premiebetalingen vóór 2001 (Brede Herwaardering Regime) en de premiebetalingen vanaf 2001 (Saldomethode). Hierbij dient opgemerkt te worden dat de niet afgetrokken premies die vanaf 2009 worden betaald, tot slechts € 2.269 tot de Saldomethode gerekend kan worden.

3.      De gehele lijfrenteaanspraak (dus inclusief het opgebouwde deel vóór 2001) is omgezet naar een lijfrente conform het regime Wet Inkomstenbelasting 2001. Hierbij kan dus gebruik gemaakt worden van de genoemde Saldomethode.

De verzekeraar laat bij toepassing van de Saldomethode alleen inhouding van Loonbelasting achterwege, als hij daarvoor een duidelijke verklaring van de Belastingdienst heeft ontvangen.

In 2009 is de boxsplitsing op lijfrenten met regime Inkomstenbelasting 2001 afgeschaft en valt de Lijfrentepolis in zijn geheel in Box I. Het niet afgetrokken deel van premies vanaf 2009 kunnen jaarlijks tot maximaal € 2.269 tot het saldodeel behoren. Dit bedrag geldt per contract.

Voorbeeld: Van 2002 t/m 2022 wordt jaarlijks € 5.000 premie betaald, waarvan telkens € 2.000 aftrekbaar is. Vanaf 2022 wordt jaarlijks € 7.500 uitkering ontvangen.

=>       Saldomethode t/m 2008:       7 jaar * € 3.000 = € 21.000

            Saldomethode vanaf 2009:    13 jaar * € 2.269 = € 29.497

Totaal opgeofferd bedrag = € 50.497. De eerste  6 jaar en 7 maanden

(€ 50.497 / 7.500) zijn de uitkeringen onbelast, vervolgens belast in Box 1.

Tot zover; mocht u naar aanleiding van het bovenstaande nog vragen hebben, dan willen wij u daarover graag informeren.


terug