Meer Nieuws

Nieuwsbrief van 16 mei 2019

Facebooktwittergoogle_pluslinkedinmail

Behandelde onderwerpen in deze nieuwsbrief:

Wettelijk minimumloon per 1 juli 2019

Het minimumjeugdloon wordt per 1 juli 2019 met een flinke stap verhoogd. Hiermee krijgen nu ook werknemers van 21 jaar recht op het volledige wettelijk minimumloon. Het wettelijk minimumloon bedraagt per 1 juli 2019 € 1.635,60 per maand.

Per 1 juli 2019 stijgt het wettelijk minimumloon met 1,23% ten opzichte van 1 januari 2019.

Het bruto minimumloon en de minimumjeugdlonen zijn bij een volledig dienstverband per 1 juli 2019 als volgt (in €):

Leeftijd % van het
minimumloon
Per maand Per week Per dag
21 jaar en ouder 100,0% 1.635,60 377,45 75,49
20 jaar 80,0% 1.308,50 301,95 60,39
19 jaar 60,0% 981,35 226,45 45,29
18 jaar 50,0% 817,80 188,75 37,75
17 jaar 39,5% 646,05 149,10 29,82
16 jaar 34,5% 564,30 130,20 26,04
15 jaar 30,0% 499,70 113,25 22,65

Het bruto minimumloon per 1 juli 2019, per gewerkt uur bij een 36-, 38- en 40-urige werkweek (inclusief 1,23% verhoging) bedraagt in €:

Leeftijd Minimumloon/uur: 36 uur/week Minimumloon/uur: 38 uur/week Minimumloon/uur: 40 uur/week
21 jaar en ouder 10,49 9,94 9,44
20 jaar 8,39 7,95 7,55
19 jaar 6,30 5,96 5,67
18 jaar 5,25 4,97 4,72
17 jaar 4,15 3,93 3,73
16 jaar 3,62 3,43 3,26
15 jaar 3,15 2,99 2,84

Stappenplan verhoging minimumjeugdloon

De overheid heeft enkele jaren geleden besloten de leeftijd waarop het volledige wettelijk minimumloon geldt te verlagen van 23 jaar naar 21 jaar. Reden hiervoor is o.a. dat ouders een wettelijke onderhoudsplicht hebben voor hun kind tot het 21e levensjaar, waarna ze voor zichzelf moeten (kunnen) zorgen. Daarnaast belonen werkgevers het personeel meer op basis van opleiding en ervaring, dan op basis van leeftijd. In veel omliggende landen hebben jongeren van 21 jaar al recht op volledig wettelijk minimumloon.

De verlaging van het minimumjeugdloon gebeurt in stappen, waarbij ook het loon van werknemers tussen de 18 en 21 jaar gefaseerd omhoog gaat.

Giften in de aangifte Inkomstenbelasting

In de aangifte Inkomstenbelasting kunnen giften worden afgetrokken van het belastbaar inkomen van Box I. Voor gewone giften geldt een drempelbedrag van 1% van het drempelinkomen (verzamelinkomen vóór persoonsgebonden aftrek) met een maximale aftrek van 10%. Voor de aftrek van gewone giften gelden de volgende voorwaarden:

Voor de aftrek van een periodieke gift geldt geen drempelbedrag, maar wel de volgende voorwaarden:

Als het aan het kabinet ligt, is het binnenkort niet meer mogelijk om contante giften, bijvoorbeeld via de collectebus, af te trekken, aangezien deze uitgaven moeilijk controleerbaar zijn en dus fraude in de hand werkt.

Aanmelden nieuwe KOR kan per 1 juni 2019

Om de administratieve lasten te verlichten voor kleine ondernemers, is vanaf 2020 niet meer de KOR (Kleine Ondernemersregeling) maar de Omzetgerelateerde Vrijstellingsregeling van toepassing. Ondernemers met een omzet tot € 20.000 op jaarbasis, kunnen hier gebruik van maken.

Een ondernemer die kiest voor de nieuwe vrijstellingsregeling:

Zij kunnen zich aanmelden voor de Omzetgerelateerde Vrijstellingsregeling vanaf
1 juni 2019. Ondernemers die zich vóór 20 november 2019 aanmelden, kunnen van de regeling gebruik maken vanaf 1 januari 2020. Deze regeling geldt dan niet alleen voor de IB-ondernemers, maar nu ook voor andere rechtsvormen, zoals een Besloten Vennootschap of stichting.

Ondernemers die nu al de KOR toepassen, hoeven zich niet aan te melden; dit wordt automatisch door de Belastingdienst gedaan.

Wordt er voor de nieuwe Vrijstellingsregeling gekozen, dan is dat voor een periode van minstens drie jaar.

Jaaraangifte BTW alleen voor natuurlijke personen

Wanneer de Omzetgerelateerde Vrijstellingsregeling (zie hierboven) per 1 januari 2020 in werking treedt, zal de mogelijkheid tot het doen van jaaraangifte voor de BTW alleen in stand blijven voor natuurlijke personen. Voor rechtspersonen is een jaaraangifte dus niet meer mogelijk.

Verblijfskosten eigen rijders 2019

Transportondernemers (eigen rijders) die op meer dagen internationale ritten maken of meerdaagse internationale ritten maken, mogen onder voorwaarden een vast bedrag per dag aftrekken van de winst. Dit bedrag wordt jaarlijks vastgesteld en is voor 2019 vastgesteld op € 37,50 per dag.

Rangorde bij faillissement

Wanneer een organisatie failliet is verklaard, kunnen schuldeisers hun vorderingen indienen bij de curator. De schuldeisers worden echter naar rangorde uitbetaald. Deze rangorde is afhankelijk van de soort vordering, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen boedelvorderingen, preferente vorderingen en concurrente vorderingen.

Boedelvorderingen zijn vorderingen eerste in rang. Dit betreffen schulden die zijn ontstaan ná de verklaring van het faillissement. Het gaat dan bijvoorbeeld om het salaris van de curator of huurschulden vanaf de faillietverklaring.

Preferente vorderingen hebben wettelijk recht op voorrang (2e rang). Dit gaat om de Belastingdienst, het UWV, alsmede de werknemers met een loonschuld.

De schuldeisers met concurrente vorderingen staan als derde in rang en hebben geen voorrang. Zij krijgen slechts uitbetaald wanneer er nog geld over is. Denk hierbij aan facturen van leveranciers (crediteuren).

Tijdig aanvragen voor EIA, MIA en VAMIL

Wanneer wordt geïnvesteerd in bedrijfsmiddelen met een totaal tussen € 2.301 en € 318.449 in een boekjaar, kan een percentage van het investeringstotaal afgetrokken worden van de fiscale winst; de zogenaamde Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek. Als een investering opgenomen is in de Energielijst of Milieulijst, dan kan tevens van Energie-investeringsaftrek, Milieu-investeringsaftrek of Vamil gebruik gemaakt worden.

Energie-investeringsaftrek:

Voor de EIA betekent dit dat de energie-investering minimaal € 2.500 bedraagt, de investering een niet eerder gebruikte bedrijfsmiddel betreft (dus nieuw) en dat het bedrijfsmiddel op de Energielijst staat:

https://www.rvo.nl/subsidies-regelingen/energie-investeringsaftrek-eia .

Met de EIA kunnen ondernemers 45% van het investeringsbedrag in energiebesparende bedrijfsmiddelen éxtra aftrekken van de fiscale winst.

Milieu-investeringsaftrek en VAMIL:

Investeringen die in aanmerking komen voor MIA en/of VAMIL, staan vermeld in de Milieulijst 2019: zie https://www.rvo.nl/subsidies-regelingen/mia-en-vamil .

Ook voor de toepassing van de MIA en VAMIL geldt dat de investeringskosten per bedrijfsmiddel minimaal € 2.500 bedragen, het bedrijfsmiddel niet eerder is gebruikt en dat het bedrijfsmiddel op de Milieulijst van het jaar van investeren staat. Daarnaast dient het bedrijfsmiddel te voldoen aan de eisen zoals vermeld in de Milieulijst en dat eventuele  vergunningen en/of certificaten geregeld zijn.

Afhankelijk van het bedrijfsmiddel (zie code in Milieulijst) kan Milieu-investeringsaftrek genoten worden tussen 13,5% en 36% van het investeringsbedrag.

Bij toepassing van de VAMIL kan op een willekeurig moment (lees: jaar) maximaal 75% van de investeringskosten afgeschreven worden. Dit levert een liquiditeits- en rentevoordeel op.

Belangrijk is dat een investering die voldoet aan de voorwaarden voor EIA, MIA en/of VAMIL, tijdig wordt gemeld bij RVO. Voor alle regelingen geldt dat de aanvraag voor EIA, MIA en VAMIL binnen drie maanden ná opdracht ingediend moet zijn. Indien deze termijn is verstreken, kan er geen beroep meer op deze regelingen gedaan worden!


terug